Fosfaatreductieplan

Fosfaatreductieplan

De melkveestapel moet terug!

Met dit plan moet de melkveestapel terug naar de peildatum 2 juli 2015 minus 4% (behoudens grondgebonden bedrijven).

Nieuw is dat het plan ook geldt voor bedrijven met vrouwelijk rundvee die geen melk produceren, zoals jongveeopfokbedrijven en vleesveebedrijven (m.u.v. vleeskalverbedrijven). Hierbij geldt een nieuwe peildatum van 15 december 2016. De definitieve regeling heeft soms grote onvoorziene effecten voor rundveebedrijven, die geen melk produceren. Vanaf april worden de eerste heffingen opgelegd.

Vrouwelijke runderen en GVE 

In tabel 1 staan de categorieën van runderen, waarvoor het fosfaatreductieplan geldt. Daarbij is tevens aangegeven voor hoeveel GVE één rund in betreffende categorie meetelt.

 Tabel 1. Categorieën runderen en aantal GVE per rund
  • ‍Vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar: 0,23
  • ‍Vrouwelijk rund vanaf 1 jaar en nog niet gekalfd: 0,53
  • Rund dat tenminste eenmaal gekalfd heeft: 1,00

De diercategorieën uit het fosfaatreductieplan zijn afwijkend van de omschrijving ‘melkvee’ uit de Meststoffenwet. Hierdoor vallen ook zoogkoeien en overig vleesvee onder het fosfaatreductieplan. De reikwijdte van het plan is hierdoor veel groter.

 

Regeling melkproducerende bedrijven

Voor bedrijven die melk produceren voor consumptie of verwerking geldt een regeling die voor een groot deel vergelijkbaar is met de eerdere plannen van ZuivelNL. Deze bedrijven moeten, op GVE-basis, in stappen terug naar een referentieaantal.

Het referentieaantal is het aantal runderen (uitgedrukt in GVE’s) dat het bedrijf volgens de I&R-registratie op 2 juli 2015 had, verminderd met 4%. Voor een grondgebonden bedrijf is deze korting van 4% niet van toepassing.

Een bedrijf is grondgebonden als in het kalenderjaar 2015 de fosfaatproductie kleiner of gelijk is dan de fosfaatruimte in dat jaar.

De verplichte GVE-reductie wordt in stappen ingevoerd. De stappen worden ingedeeld in perioden. Per periode geldt een ‘verminderingspercentage’, dat aangeeft met hoeveel procent het aantal GVE’s moet worden verminderd. In tabel 2 staan de perioden met de daarbij behorende verminderingspercentages vermeld.

Tabel 2. Perioden en verminderingspercentages
  • ‍Periode 1: maart en april: 5%
  • ‍Periode 2: mei en juni: 10%
  • ‍Periode 3: juli en augustus: Ten hoogste 20%
  • ‍Periode 4: september en oktober: Ten hoogste 40%
  • Periode 5: november en december: Ten hoogste 40% 

De definitieve percentages voor de perioden 3 t/m 5 zijn afhankelijk van het verloop van de totale nationale fosfaatproductie. Deze percentages worden uiterlijk op de laatste dag van de voorgaande periode vastgesteld.

De percentages in de perioden 3 t/m 5 zijn nooit lager dan de vastgestelde percentages in de vorige periode.

 

Heffingen

Als de GVE’s onvoldoende worden gereduceerd, volgt een heffing. Hierbij wordt steeds per maand de gemiddelde GVE’s in de betreffende maand vergeleken met het ‘referentieaantal’ en het ‘doelstellingsaantal’. Er kan een ‘hoge’ heffing volgen of een ‘solidariteitsheffing’.

Als een bedrijf in een bepaalde maand gemiddeld méér GVE’s houdt dan het doelstellingsaantal van die maand, dan volgt met uitzondering van de maanden maart en april een heffing van € 240 per GVE, dat meer dan het referentieaantal is gehouden.

In periode 1 wordt geen heffing opgelegd als in maart het doelstellingsaantal niet wordt behaald. Wordt het doelstellingsaantal in april niet gehaald, dan volgt over april een heffing van € 480 per GVE dat meer dan het referentieaantal is gehouden. Deze heffing is twee keer zo hoog, omdat in de maand maart geen heffing wordt opgelegd. Haalt het bedrijf in maart het doelstellingsaantal niet, maar in april wel, dan volgt geen heffing in periode 1.

Voldoet een bedrijf in de eerste maand van een periode niet aan het doelstellingsaantal, maar in de tweede maand wel, dan komt de opgelegde heffing van de eerste maand te vervallen. Een eventueel betaalde heffing wordt terugbetaald. Wel wordt dan een ‘solidariteitsheffing’ opgelegd.

Een bedrijf dat in een bepaalde maand het doelstellingsaantal wel haalt, maar het referentieaantal niet, krijgt geen ‘hoge heffing’ opgelegd, maar wel een ‘solidariteitsheffing’. Dit is vergelijkbaar met de ‘solidariteitsheffing’ uit de plannen van ZuivelNL.

De berekening is vergelijkbaar met die van de ‘hoge heffing’, maar de bedragen zijn lager. De heffing bedraagt, met uitzondering van de maanden maart en april, € 56 per GVE dat meer dan het referentieaantal is gehouden.

 

Regeling niet-melkproducerende bedrijven

Voor bedrijven die geen melk produceren voor consumptie of verwerking geldt een andere regeling. Deze regeling geldt o.a. voor jongveeopfokkers, bedrijven met alleen zoogkoeien met bijbehorend jongvee en vleesveebedrijven (niet zijnde kalverhouders).

Voor niet-melkproducerende bedrijven geldt een referentiedatum van 15 december 2016. Er mogen vanaf 1 maart 2017 niet meer vrouwelijke runderen (GVE’s) worden gehouden dan dat er op 15 december 2016 aanwezig waren (referentieaantal).

De volgende bedrijven hoeven zich niet te houden aan het referentieaantal van 15 december 2016:
  • ‍Bedrijven die na 15 december 2016 niet meer dan twee vrouwelijke runderen hebben aangevoerd.
  • Bedrijven waar in iedere periode op elke dag niet meer dan 5 vrouwelijke runderen aanwezig zijn.

Een niet-melkproducerend bedrijf krijgt een heffing opgelegd als het aantal GVE’s in de tweede maand van een periode groter is dan het aantal GVE’s op 15 december 2016. De heffing bedraagt € 480 per GVE dat teveel is gehouden. Voor iedere periode geldt, dat voor de eerste maand geen heffing wordt opgelegd.

  

Inning heffingen

De hierboven genoemde heffingen worden geïnd door de zuivelonderneming of door RVO.

Bij melkproducerende bedrijven worden de heffingen geïnd door de zuivelonderneming, indien deze zuivelonderneming is aangesloten bij ZuivelNL. De heffing wordt verrekend met het melkgeld.

Is de zuivelonderneming niet aangesloten bij ZuivelNL of is de regeling voor niet-melkproducerende bedrijven van toepassing, dan worden de heffingen geïnd door RVO.

  

Bedrijfsoverdrachten 

Bij een bedrijfsoverdracht kan de referentie worden overgedragen naar de overnemende partij. Is er sprake van een bedrijfssplitsing, dan kan de referentie naar rato worden verdeeld. Er is, in dit kader, alleen sprake van een bedrijfsoverdracht als het overdragende bedrijf wordt beëindigd. Er moet aantoonbaar sprake zijn van een bedrijfsoverdracht die bij RVO is/wordt gemeld. Ook bij een wijziging van rechtsvorm, waarbij een nieuw KvK-nummer ontstaat, is sprake van een bedrijfsoverdracht.

 

Knelgevallenregeling

In het fosfaatreductieplan is een knelgevallenregeling opgenomen. Bedrijven kunnen voor de knelgevallenregeling in aanmerking komen als door onvoorziene omstandigheden de referentie (2 juli 2015 of 15 december 2016) 5% lager is dan deze zou zijn, zonder deze onvoorziene omstandigheden.

Onder onvoorziene omstandigheden wordt verstaan:

  • Ziekte van de houder van de dieren.
  • ‍Ziekte of overlijden van personen in het samenwerkingsverband of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad.
  • ‍ Bouwwerkzaamheden.
  • ‍Vernieling van de melkstal.
  • Diergezondheidsproblemen.

Op verzoek kan de betreffende referentie worden aangepast aan het aantal runderen dat voor de intreding van de onvoorziene omstandigheid waren geregistreerd.

Een verzoek om de knelgevallenregeling toe te passen, moet op uiterlijk 1 april 2017 bij RVO worden ingediend.

Melkproducerende bedrijven kunnen per maand, m.u.v. de maand maart, een bonus ontvangen als het gemiddeld aantal GVE’s lager is dan het referentieaantal. De bonus geldt per GVE lager dan het referentieaantal met een maximum van 10% van het referentieaantal.

Wanneer runderen in een referentiejaar zijn uitgeschaard, dan kan, onder voorwaarden, het referentieaantal van bepaalde perioden worden overgedragen van de inschaarder naar de uitschaarder. In de regeling wordt er vanuit gegaan dat ook in 2017 dieren worden uitgeschaard. Het overdragen kan alleen indien de inschaarder hiermee instemt. Dit geldt zowel voor de regeling voor melkproducerende bedrijven als voor de regeling voor niet-melkproducerende bedrijven.

 

Uw contactpersoon

No items found.